Preview: citaten en foto's uit het boek: van Varen naar Rijden

Van de witte boetjes naar de Veertweg (Sjaak Buter)

Met de ‘witte boetjes’ van Kees Berkhouwer aan de Keizerssloot in Zuid-Scharwoude zijn veel tuinders groot geworden. ‘Mijn oom pachtte de achterste drie ‘witte boetjes’ met een voormalige poterbewaarplaats,’ vertelt Sjaak. ‘Boeren uit Langedijk, Noord- en Zuid-Scharwoude brachten daar hun bakken met poters naar toe om te bewaren. De boetjes kostten fl. 130,- per jaar inclusief stroom. Er konden elf koeien in het stalletje. In een ander boetje bewaarde hij hooi en de derde was voor voederbieten. Het bedrijf was nauwelijks levensvatbaar. Tot rond 1970 heb ik daar gewerkt, tot de verkaveling begon en ik mijn 10 hectare aan de Veertweg kreeg.’
De Veertweg loopt midden door de verkaveling ten westen van Noord-Scharwoude. Samen met mijn vader bouwde ik een stal, een zogenaamde bioloods of platenstal. De stal mat 40 x 12 meter en kostte fl. 17.000.  In 1971 begon ik op de nieuwe stek met twintig koeien. Elke week kocht ik er een koe bij en aan het einde van het jaar had ik veertig koeien. Ik betaalde het allemaal zelf. Jaren heb ik als bijverdienste de bermen gemaaid van de provinciale weg, van de Nauertogt tot aan Kalverdijk, bij het café de 20 billetjes. Her en der kon ik land erbij pachten.’
Langzamerhand ging het goed met het bedrijf van Sjaak Buter. In 1978 bouwde hij een huis en trouwde met Janny Twint. Ze kregen drie zoons, waarvan er twee met hem samenwerken in het bedrijf. ‘We hebben de mogelijkheid onderzocht om te emigreren naar Canada of Denemarken. Janny wilde hier niet weg. Ze was al een keer geëmigreerd, zei ze, uit de Beemster naar West-Friesland. We begonnen met een trekker, daarna kwam er een kleine shovel. Met de groei van het bedrijf konden we steeds grotere machines kopen. In de jaren ’80 heb ik 23 hectare land bijgekocht en stallen bijgebouwd.

Op de foto: boven Sjaak Buter en zijn oom Herman en onder: de zoons van Sjaak Buter hebben het bedrijf in de Moerbeek overgenomen.

Geen voorzieningen in de Diepsmeer (Tiny Buter Quax)

In de Diepsmeer waren geen voorzieningen, de polder vormde een hechte gemeenschap. ´We gingen in Noord-Scharwoude naar de lagere school,’ vertelt Tiny. ‘Via het pad reden we naar de weg en dan tot aan sigarenhandel Piet de Geus. Daar zetten we onze fiets neer en liepen verder door de Dorpsstraat. Er was niemand op straat, maar we mochten van moeder niet fietsen in de Dorpsstraat. De fietsjes kwamen bij Smid Bos vandaan met de afspraak dat hij ons leerde fietsen. Thuis oefenden we op de koegang.
We deden er een half uur over. Als we op de terugweg een zuidwesterstorm tegen hadden, hielden we een vrachtwagen aan van Meereboer uit Schoorl. Met de fietsen in de wagen zette hij ons af bij De Geus. Als het koud was pakte moeder ons in met maillot, piamabroek en daaroverheen onze rok.
De weekblaadjes voor de hele polder lagen bij bakker Kuin in Noord-Scharwoude. Ik haalde ze op en moest ze bij iedereen rondbrengen.’
Alles was ver weg in de Diepsmeer. ‘Een dokter was er niet in de polder. Dr. Bruinsma kwam op de fiets als een kind bijna was verdronken. Brieven gaven we mee aan de postbode om te posten. Buurvrouw Van der Stoop liep met de kinderwagen helemaal naar het consultatiebureau in Noord-Scharwoude.
Aan ons paadje was elektriciteit. Van Veen aan het zigzag-pad was er niet op aangesloten. Zij hadden een lamp met een gaskousje en de strijkbout stond op de kachel om heet te worden. Bij Spruit stonden overal petroleumstellen in huis.
Moeder had een elektrisch Etna-fornuis op poten. De oven in de keuken diende tevens als kachel. De was werd gekookt en gedroogd met een wringer op een houten stelling. We hadden een elektrisch strijkijzer. De eerste jaren hadden we nog geen waterleiding. Er stond altijd een zinken emmer met water klaar op het aanrecht. Later hadden we één kraantje boven zo’n zwart-wit granieten gootsteen.
Als we wilden bellen, liepen we naar Siewertsen, voor een stuiver mochten we de telefoon gebruiken. Later kregen wij zo’n zwarte telefoon aan de muur. Televisiekijken deden we met alle kinderen van onze leeftijd bij de familie Brammer.
Een koelkast hadden we niet en ook geen kelder. Moeder ging wel eens een dagje naar familie in de Beemster of de Rijp, op de fiets naar Koedijk of Noord-Scharwoude en vandaar met de bus. Voor vader zette ze dan een pan snert klaar, verpakt in kranten, onder de dekens op bed om het warm te houden.’

Foto boven: bruiloft in de Diepsmeer
Foto onder: luchtfoto van de Diepsmeer in 1937 met de al aangelegde Nieuwe Weg

Winkeltjes in Kalverdijk (Marie de Wildt-Tesselaar)

Alle dorpen hadden veel winkels. In Kalverdijk zat bakker Denneman met een winkeltje naast de bakkerij. Klaas Vester had een luxe bakkerij in het dorp en Kaandorp uit de Kerkbuurt en Snijders uit Tuitjenhorn ventten met brood langs de deur. ‘Moeder maakte zelf deeg en bracht dat naar de bakker,’ vertelt Marie. ‘Vader zorgde voor het meel. Soms maakte moeder thuis krentenbrood. We hadden veel brood nodig voor een gezin met tien kinderen. Alleen het luxe brood kochten we bij de bakker, zoals zachte kadetten voor zondags en kerstbrood.’
Stevers was kruidenier in het dorp en had ook een café. Hij ging met een mand voorop de fiets langs de huizen. In de mand bracht hij ook zijn kinderen naar school met de nonnen in Warmenhuizen. Door het gewicht in de mand slingerde hij altijd en kreeg als bijnaam Siemen Slinger. Maries broer Broer, Jan Tesselaar is getrouwd met de dochter, Truus Stevers.
Kruidenier Cor Hoogenboom van de Korendijk haalde eerst ‘het boekje’ op en bezorgde later in de week de boodschappen aan huis. De armoede was groot in het dorp en er werd veel ‘op de lat’ gekocht.
Tegenover het café van Sneekes woonde een melkboer. Dat is nu het café van De Wit. In Kalverdijk werden melk, kaas en boter aan huis bezorgd. ‘Wij hadden melk van onze eigen koeien en maakten zelf boter, karnemelk en kaas. Vanaf dat we een jaar of tien waren, hielpen we vóór schooltijd met karnen. Je stond om zes of zeven uur op. De mannen waren dan al op weg naar de akker. Het ontbijt bestond uit brood met suiker of kaas.
Slachten deed vader zelf. We hielden een paar varkens en hadden eigen spek. Bij het huis hadden we een varkensstal en we voerden de varkens met het afval van het land. Na de oorlog mocht je niet meer zelf slachten. De biggetjes werden verkocht en brachten nog wat geld in het laatje.’
In het dorp ruilden mensen producten van eigen teelt, bijvoorbeeld een zak bruine bonen tegen een brood. ‘Erwten en bonen moest je “lezen”: het uitzoeken van de slechte erwten. Moeder legde een wit laken op de tafel en stortte een zak vol erwten of bonen uit waar we met z’n allen omheen zaten.’

De polder Geestmerambacht (zie kaart)

Bij de naam Geestmerambacht denken velen aan het recreatiegebied ten noorden van Alkmaar. De naam van het recreatiegebied is niet voor niets gekozen aangezien het is aangelegd rondom de voormalige zandwinningsplas van de ruilverkaveling in de polder Geestmerambacht. Dit boek verhaalt over de voormalige polder Geestmerambacht, voluit: ‘Geestmerambacht, Oosterdijk en Molengeerzen’. Waar relevant of interessant wordt een uitstapje gemaakt naar het ambacht Geestmerambacht, één van de ambachten binnen de vroegere Gouw West-Friesland.

Binnen het ambacht Geestmerambacht lag de polder Geestmerambacht, groot circa 5.500 hectare en voluit genaamd: Geestmerambacht, Oosterdijk en Molengeezen. Binnen deze polder lagen diverse droogmakerijen ontstaan uit meren, die in zestiende en zeventiende eeuw waren omdijkt en drooggemalen. Deze droogmakerijen hadden een eigen bemaling en sloegen hun overtollige water uit op de waterberging van de polder Geestmerambacht.